PAUL GEES
PORTRET UIT HET ARCHIEF

🕔20 Dec 2019 07:36

Naar aanleiding van de 2 prachtige tentoonstellingen die momenteel lopen in Antwerpen en Knokke-Heist hier het portret dat we brachten van Paul Gees in 2006

‘Mijn beelden krijgen een sleutel mee...’
 


foto Luc Gees

Na een tocht doorheen een aantal deelgemeenten van Erpe-Mere, die mij tot dan toe totaal onbekend waren, arriveer ik in Schoonaarde. Vlak naast de dorpskern staat een opvallend pand, een soort loft avant la lettre. Daar woont beeldend kunstenaar Paul Gees.
De gastheer staat me op te wachten bij de ingang van zijn atelier, dat de volledige gelijkvloerse verdieping in beslag neemt. Naast de centrale inkompartij bevinden zich twee grote ruimten, gevuld met maquettes, ontwerpen, schetsen, en beelden die klaar zijn voor de volgende tentoonstelling. Je kan er niet omheen: dit is het atelier van een zeer actief man. Paul blijkt bovendien een enthousiaste verteller te zijn.

‘Mijn beelden zijn composities van hout, steen en metaal. Staal in combinatie met de spanning van het hout en het gewicht van de steen… zo vertellen de beelden elk hun verhaal.’

We nestelen ons naast hond Boutty in de zetels van de leefruimte op de eerste verdieping. Deze zitplaats is zeer ruimtelijk en wonen wordt dan ook onvermijdelijk ons eerste onderwerp.


foto Luc Gees

Een gespleten balk als boom

Wonen is uiteindelijk een belangrijk aspect van ons leven. Enerzijds een plaats, een verzameling van noodzakelijkheden om te kunnen leven, anderzijds een plek om zich terug te trekken, om te kunnen overleven. Wonen is veel meer dan ergens zijn, wonen is evenzeer zich functioneel organiseren. Het verrijkt zich wel met toevalligheden, met uitdrukkingen, met herinneringen, in een natuurlijke omgeving, met verhalen en soms ook met kunst.
In de leefomgeving van Paul Gees is dit laatste sterk aanwezig, kunst is als het ware geweven door en verweven met het leven.
In de grote raamopening bevindt zich een sculptuur.
‘Door eenvoudige bewerkingen is hier toevallig de suggestie van een boom ontstaan. De sculptuur bestaat uit een verticaal gespleten balk. Het gewicht van ingeklemde stenen drukt de balk open tot een denkbeeldige vertakking. Het beeld maakt bovendien deel uit van de ruimte van het raam.’


foto Luc Gees


Wat is kunst?

We zijn het er roerend over eens dat de zeven kunsten vervlakken en meer en meer één geheel beginnen te vormen. Paul Gees refereert aan zijn aanwezigheid op de presentatie van de recente boeken van Sven Lütticken en Camiel Van Winkel. Deze uitgaven behandelen de aspecten van de massacultuur tegenover de generieke kunst, met als conclusie dat deze elkaar bij wijze van spreken steeds meer voor de voeten lopen.

Binnen de kunsten, maar ook tussen de kunst en de economie en de industrie is een toenadering merkbaar. De stichting Arteconomy lanceerde in samenspraak met de firma Siemens binnen dit kader een opvallend initiatief. Paul nam hieraan deel.

Als kunstenaar dacht ik positieve mogelijkheden tot verruiming, verdieping en exploratie in mijn kunst te onderkennen. De idee beweging als een dynamische component aan mijn eigen sculpturaal werk toe te voegen, laat me niet onberoerd. De vraag is en blijft echter tot op vandaag of dit op een betekenisvolle manier kan. Voegt het iets toe aan mijn eigen gedachtegang? Deze vraag is nog niet beantwoord. Voorlopig brengen mijn werken me voldoende rust.

Kunst is een creatieve drang

Op de vraag of de kunstenaar de noodzaak voelt om dagelijks met kunst bezig te zijn, is het antwoord duidelijk: ‘Kunst is een creatieve drang, een noodzaak.’ Nochtans schuilt hier een ambiguïteit, want Paul is docent Beeldende Vorming aan het Hoger Architectuurinstituut Sint-Lucas in Gent. Dit lesgeven is enerzijds een beperking in tijd, anderzijds een aanzet om jonge mensen expressief en creatief te stimuleren.

‘Die drang om voortdurend met kunst bezig te zijn, is de basis van mijn leven. De lesopdracht beperkt me hier deels in, maar biedt natuurlijk financiële zekerheid...’

Een creatieve drang naar de abstractie

Pauls keuze om in Brussel Interieurarchitectuur te studeren, was bijzonder, gezien hij eigenlijk vooraf wist dat hij dit beroep niet zou uitoefenen. Paul bevestigt dat deze studie niettemin een wezenlijk onderdeel van zijn kunst is blijven uitmaken.

‘De evidente belangstelling voor constructie en ruimte vanuit mijn opleiding als binnenhuisarchitect brengt een bijzondere aantrekking met zich mee voor facetten die daarop betrokken zijn.’

Tijdens zijn middelbare studies uitte Pauls zoektocht naar expressie zich picturaal in de lijn van de Nieuwe Realisten zoals Roger Raveel en Raoul De Keyser.

‘Nadien had ik, onder invloed van de jaren 1968, te maken met innerlijke conflicten. De keuze tussen de weg van het kunstzinnige, maatschappelijke engagement of het opgaan in de meer eigen en specifieke problematiek van de beeldende kunst, drong zich op.’

De aanwezigheid van figuren als Beuys en Vostell zijn niet vreemd aan zijn twijfels.

Documenta 72 confronteerde Paul evenwel met zijn keuze. Waar die Documenta enerzijds een openbaring was, genereerde ze toch de ordeloosheid en nog meer de chaos in Pauls denken over kunst.

‘Ik had geen vat meer op wat kunst kon zijn, wat het inhield, wat het betekende, wat het voorstelde.’

Fundamenten

In 1975 creëerde Paul Gees een installatie die de overdaad aan communicatie wilde aanklagen. Hij realiseerde een Dôme geconstrueerd met latten, bladeren en hooi en dit geconfronteerd met een piramide vol kranten en real time televisie. Het symboliseerde de druk van de zich opdringende media en haar (des)informatie tegenover de rust en het zoeken naar ordening en structuur. Er waren dus architecturale vormen als onderbouw, het plan kreeg muren, maar eigenlijk nog geen fundamenten.

Volgde een periode van dwaling, bezinning, een zoektocht naar ruimte met fotografische middelen.

‘Ik fotografeerde een afgebakend stukje gras en zette dit om in 160 dia’s. Het beeld componeerde ik als een platte sculptuur, met enkele systematisch opgebouwde ingrepen of toevoegingen. Het geheel behandelt een natuur-cultuurproblematiek. De ruimte erboven, de lucht, gaf ik met behulp van een spiegel weer. Het glas refereert aan de transparantie. De kleur is agressief groen, de cultuur, het uiterste. Het ingebrachte dode konijn en de aanwezigheid van mezelf verstoren het evenwicht. Het enige houvast is een duidelijk gestructureerde en geometrische onderbouw; in architectuurtermen een soort plan zonder opstanden, het getal 7 als organiserende leidraad.

In 1978 bezocht ik de tentoonstelling Door beeldhouwers gemaakt in het Stedelijk Museum van Amsterdam. Het fascineerde me hoe kunstenaars zoals Carl Andre, Ulrich Rückriem en Richard Serra op een fundamentele manier met de ruimte en de materie omgingen. Dit is voor mij de onverwoestbare synthese geworden en tot op vandaag het fundament van mijn huidige werkzaamheid.’

Ruimte vangen

‘Met steen en hout wil ik een beeld oproepen, vangen en concretiseren. Elementaire ingrepen op bijvoorbeeld een houten balk laten me toe de inertie van het materiaal te overwinnen. De boom als balk, de balk als lichaam zijn kracht teruggeven om de massa, de steen of het gewicht, te trotseren. Het beeld dat op deze manier ontstaat, etaleert spanning. De energie die in de materie steekt, haal ik eruit als het eerste essentiële gegeven.’

Ook een aantal 20ste-eeuwse architecten uitten dit. En zo is de link met de basisopleiding van de kunstenaar snel gelegd.

‘Het vangen van de ruimte in mijn beelden is een tweede cruciaal gegeven. Sculptuur wil nog steeds de ruimte vatten, beheersen en omsluiten. Ook mijn sculpturen of beelden zoeken die uitweg naar de ruimte, soms willen ze met de onmacht van David, de overmacht, te lijf gaan.’

Energie en zwaartekracht

Zowel Pauls voorstudies als de definitieve ontwerpen getuigen van een spanningsveld tussen energie en zwaartekracht.

‘Ik probeer steeds ontwerpen te maken waarin een reële spanning aan de oppervlakte komt, zowel bij hout- als bij staalconstructies. Staal heeft op zich al een bepaald weerstandskarakter. Het is vooral een stabiliserend element, terwijl hout meer als een flexibele materie functioneert. De steen die ik in vele werken positioneer, geldt als gewicht en het inhoudelijk onvoorspelbare. Ik wil energie introduceren door de materie fysiek te lijf te gaan. Al is dit dan minimaal. Er ontstaat een spel van tegengestelden: van gewicht en tegenwicht, de spanning in het beeld en het omgaan met de zwaartekracht. Deze elementen zijn wezenskenmerken in de beeldhouwkunst in de klassieke betekenis van het woord.’

Figuratief?

Toch kan ik mij als observator niet van de indruk ontdoen dat er enkele figuratieve ankerpunten in de werken van Paul Gees vervat zitten.

‘Ik zoek niet nadrukkelijk naar abstractie. Mijn uitgangspunt is in dat opzicht te weinig geradicaliseerd. Op deze manier geef ik de kijker een kans om zijn eigen verhaal te maken. Er is soms onbewust een figuratieve suggestie aanwezig. Ik geef niet toe aan het figuratieve, maar laat wel ruimte voor de persoonlijke interpretatie. Je moet de mensen wel een sleutel geven, de mogelijkheid om een verbinding te maken, want door hun interpretatie komt er communicatie. Titels zijn hierbij geen noodzaak, maar geven wel een verklaring, een sleutel voor het werk.’

Af en toe creëert Paul Gees beelden in opdracht en dit met een welbepaald doel. Hij neemt ook wel eens deel aan wedstrijden voor kunst in publieke ruimtes.

‘Op het moment dat je een werk in een publieke ruimte plaatst, confronteer je jezelf als kunstenaar met het oordeel van de man in de straat. Hierbij komt vaak de paradox ter sprake dat kunstwerken appreciatie krijgen van niet-geïnteresseerden. Dus niet enkel van mensen die galeries en musea bezoeken. Het verschijnsel kunst in openbare ruimte hangt ongetwijfeld samen met het doel aan het veronderstelde isolement van de kunst te ontkomen. Er valt veel voor te zeggen dat dit vechten tegen de windmolens is. Als men echter inziet dat de kunst tegenwoordig ook deel uitmaakt van de economie –speciale fondsen worden vrijgemaakt voor kunst in de straat– dan verandert het perspectief van het isolement. De passanten, al of niet geïnteresseerd, kunnen reflecteren op een monumentaal beeld in de straat. Zo ontstaat een ‘echte’ dialoog tussen het beeld en de kijker. Elk legt er zijn eigen verhaal in. Een beeld bij een station kan men associëren met een boom, een figuur met een rugzak of een treintje op een spoor. En daar ligt ook precies het belang van het geven van een sleutel. De abstracte weergave krijgt een figuratief karakter door de verbinding die de passanten zelf maken. De brug wordt geslagen tussen de omgeving en het beeld, een communicatie komt op gang.’

Na dit unieke gesprek met Paul Gees keer ik terug, beladen met bijkomende lectuur, maar vooral met een aantal blijvende indrukken. Thuisgekomen laat ik het gesprek bezinken en mijmer over de ideële wereld van een kunstenaar. Toch blijven de woorden van Paul lang hangen: ‘Ergens voel ik een stuk frustratie, ik kan niet voldoende exploreren. Mijn geest creëert zaken waarvoor ik niet de tijd heb om ze uit te voeren. Maar toch ervaar ik een zekere vorm van voldoening…’





 





Nieuwsbrief

Laatste Nieuws

PETER VAN HEIRSELE

UIT MIJN ARCHIEF - JANUARI - FEBRUARI 2005

TINE EMBRECHTS

UIT MIJN ARCHIEF - JANUARI - FEBRUARI 2005

MAARTEN VAN SEVEREN

UIT MIJN ARCHIEF - NOVEMBER - DECEMBER 2004

HUGO DUCHATEAU

UIT MIJN ARCHIEF - NOVEMBER - DECEMBER 2004

Facebook