FRED BERVOETS - IK BEN MAAR EEN PRENTENMAKER

🕔28 Jul 2019 09:48

Herinneringen uit het archief.
Gesprek met Fred Bervoets in 2007 verschenen in Isel Magazine nr 16 2007
Tekst: Christophe De Schauvre 
Foto's: Elisabeth Broekaert

‘Ik ben maar een prentenmaker’

Met het kleurenpalet van de nacht aan de handen staart Fred Bervoets voor zich uit. Zijn gedachten monken. Het is een doek dat hem parten speelt. Meer bepaald een slang op het doek. In pinkroze. Hij vreest een stommiteit, begaan in een vlaag van overmoed. ‘Een schilderij maakt zichzelf, soms dwingt het je om slaafs te volgen. Maar wil je een echte meester zijn, dan MOET je streng zijn. En dat, dat is het probleem...’

Maandagochtend 10 uur. Fred Bervoets zit aan een tafel in het huis van galeriehouder Adriaan Raemdonck. De Zwarte Panter, zijn huis. Bervoets kijkt me in de ogen: ‘Ga je me vragen stellen?’ Ik knik.

‘Een artiest moet iets van een vampier hebben’, zegt Bervoets. ‘Jong bloed, dat heb je nodig. Oud bloed, dat zet men op sterk water in een museum.’ Drie dagen voordien had Tom Barman hem nog een café binnengeroepen. Een zware nacht, herinnert Bervoets zich. ‘Artiesten zitten tegenwoordig verspreid over de stad, elk in hun café. Vroeger dromden wij meer samen...’ Vroeger. De tijd van café De Muze –het culturele mekka van de jaren 1960– waar Bervoets naar verluidt wel eens in de luster hing, een tijd waarin kunstenaars elkaar de inspiratie influisterden, waar Bervoets banden smeedde met onder meer Ferre Grignard, Jan Decleir, Julien Schoenaerts, Wilfried Pas, Wannes Van de Velde. Hij zegt het zonder nostalgie overigens, maar de stad leefde.’

En nu?
‘Nog wel. Maar dan uitgezaaid. Ik zoek het epicentrum niet meer op, of het moet toevallig op mijn weg liggen.’ Bervoets schatert: ‘Op mijn weg naar huis!’


DE ZELFKANT VAN DE SCHELDE

Hoewel Fred Bervoets er pas op zijn vijftigste mee begonnen is, noemt hij het lesgeven aan de Academie een goede manier om voeling te houden met wat er leeft onder de jonge, zoekende mensen.
‘Volgend jaar word ik 65 en ga ik met pensioen. Bervoets, zot, zeggen ze dan, gij zijt nog maar 22. Liever zo, dan dat ze iets anders zouden zeggen.’
Hij knikt even bij de gedachte aan dat jong bloed. Als oppepper. Een compensatie voor het anders zo eenzame bestaan als schilder. Al slaat de slinger ook wel eens te ver door.
‘Als je dan ’s nacht thuiskomt en je werk van die dag ziet staan, zou je het soms opnieuw willen aanvallen. Zoals deze nacht... Ik heb een ingreep gedaan die niet al te katholiek was…’

Bervoets werd geboren in Burcht, de zelfkant van de Schelde, de overkant van zijn stad.
‘Mijn vader was een dokwerker. En kunst, dat kenden mijn ouders niet. Of het moest op een almanak staan.’ Toch vond Bervoets zijn weg naar de Koninklijke Academie. ‘Een papiereke daarvan heb ik niet. Maar schilderen? Goh, een onstilbare drang had ik toen. Ik was ook slim genoeg om op school dingen te maken die ze daar graag hebben: een blote madam die op een blote madam leek, een paar appelen en peren die een beetje op appelen en peren leken... Thuis maakte ik dan wat ik écht wilde. In die tijd ging ik zelfs ’s nachts doeken stelen op de Academie, zo groot was de drang om te schilderen.’
Bervoets werd bij de kraag gevat, maar de studentikoze grap werd hem door de vingers gezien. Hij stapte weer de vrijheid tegemoet. Richting het Hoger Instituut in Antwerpen.

BACON IN DEN BAZAAR

‘Ik had geluk dat ik op school af en toe een prijs won. De Camiel Huysmans-prijs, bijvoorbeeld. Voor mijn vader was dat alleszins belangrijk. Als socialist dan, niet om de kunst.’
Bervoets herinnert zich levendig hoe hij destijds ook hongerig op zoek ging naar creatieve impulsen. In tijdschriften, boeken, galeries, musea... ‘Wij moesten naar den Bazaar waar de kunstboeken achter glas stonden. Achter glas! Daar heb ik voor de eerste keer Francis Bacon gezien, op een cover van een boek.’
Terwijl Fred naar zijn pakje Groene Michel grijpt, refereert hij opnieuw aan de afgelopen nacht: ‘Mijn vrouw vond dat werk nochtans goed… Maar nee, ik vond het weer te braaf en moest zo nodig weer de gek uithangen. Of ik er nu goed aan gedaan heb om die slang er bovenop  te kladden? Ik weet het niet. Ik had het misschien sneller moeten wegdoen. Bij Bacon kwamen ze zijn werken weghalen of hij maakte ze kapot!’  

Bervoets’ impulsief-expressionistische stijl meandert in herinneringen en langs grote thematische veranderingen.
‘Wat ik maak, is een plastische uitdrukking van iets wat is blijven hangen’, verwijst hij naar zijn stijl die met epitheta als episch, anekdotisch en dynamisch-vitalistisch wordt bedacht. Maar over dat narratieve element is Bervoets duidelijk: ‘Het gaat niet om het verhaaltje, maar om het bevreemdingsbeeld. Het in eenzaamheid zoeken naar een bevreemdend beeld, als een teken aan de wand.’
Bervoets denkt even na en zegt dan: ‘Je mag ook niet te veel theatrale bewijzen willen voeren dat je kan schilderen. Het níét bewijzen, is soms belangrijker dan te bewijzen dat je iets kan.’   

BEELDEKENSMAKER

‘Ik noem mezelf een prentenmaker... in ’t Antwaarps klinkt da schoender: beeldekesmoaker. Tegen mijn vrienden zeg ik dan: ‘k hem weer een vremd beeldeke gemoakt.’
Vrienden… Alsof hij ze even probeert weg te denken en dan prompt het hoofd schuddend: ‘Zonder vrienden zou ik niet bestaan. Zonder vriendschap was ik niets... had ik niets. Mijn vrienden, dat ben ik. Ze zijn de spiegel waarin ik mezelf ontdek.’

Een van de krassen is de dood van vriend en collega Jan Cox in 1980. Van de weeromstuit etste Bervoets een hele cyclus bijeen. Hommage aan een vriend valt bijna samen met zijn ontdekking van het zogeheten ‘acide-verkeerd’-procédé, een techniek waarbij hij het etsen met droge naald gaat combineren met het schilderen met salpeterzuur.
‘Cox was een fantastische man, onze godfather. Ik begon grote etsen te maken, alsof de goden mijn handen vasthielden. Het was alsof het móést gebeuren. Ik had een opdracht gekregen die ik niet kon ontlopen. Ik heb heel de kapel van De Panter hier volgehangen. Alles groot en zwart! Het was van een noodzakelijkheid...’
Fred klakt even met de tong: ‘Jan was pas dood... Daar kon ik toch ook niet te veel kleur aan geven. Toch?’

KLINKEN MET KLINKAN

De manier waarop Bervoets praat, is zoals zijn Spaghetti’s: grote doeken vol slang- en darmachtige vormen die als een organisch kluwen het hele oppervlak bedekken.
Zijn woorden zijn al even kronkelig en bedekken als een strak gespannen vlies zijn emoties. ‘Als ik erover nadenk, dan zijn er toch al veel van mijn vrienden dood. Vroeg doodgegaan. Maar die mannen hebben wel iets nagelaten! Maar om nu zelf te gaan zitten tobben over de dood, nee. De dood, dat is het leven dat stopt. Simpel. Een slecht schilderij maken, waar je niet uitgeraakt, dat is soms erger. Ik zou nu ook niet willen creperen en jaren in een hospitaal liggen. Dat is het enige wat ik hoop. En zeker geen toeristen aan mijn bed…
Ik weet niet waar mijn vrienden zijn terechtgekomen. Ze hebben het me toch niet gezegd toen ik aan hun bed stond. Ik ben wel katholiek opgevoed, ben zelfs misdienaar geweest. Maar geloven? Geloof? Wat is dat? Geloven in jezelf, dat is het. Omgaan met die eeuwige twijfel, dat is veel moeilijker. Kom bij mij niet af met een hemel van rijstpap met gouden lepeltjes. Wat zou ik daar moeten gaan doen? In die stoet gaan lopen met Michelangelo, Vincent Van Gogh, Pablo Picasso, James Ensor en al die anderen? Nèje, dan zou ik daar heel de tijd in een hoekske gaan staan.’
Mocht de hemel Gods al bestaan en bij wijze van uitzendkracht engelen uitsturen, dan zou Bervoets het liefst van al nog eens met Alfred Klinkan de nacht induiken.
‘Met Ferre Grignard niet meer. Met hem heb ik genoeg aan de toog gehangen’, lacht Bervoets.
Maar waarom precies Klinkan, de Oostenrijkse schilder en één der Neuen Wilden?
‘Klinkan, dat was een voedingsbron voor mij. Uitzonderlijk schilder. We hebben nog veel samen geschilderd. Klinkan was news. Zoals een reporter die uit oorlogsgebieden terugkwam. En samen op café zitten, ja, dat is toch iets speciaals. Als vrienden zeg je dan toch meer tegen elkaar dan op een bankje in het park. Ik denk nog vaak aan hem. Hartstilstand. Boenk gedaan.’

 

JAMMEN

‘Of hij nu een publiek heeft of niet, Fred blijft praten en vertellen, zijn verbeelding blijft continu werken’, zei Jan Decleir ooit.
‘Decleir loopt al eens mijn atelier binnen en met hem samenwerken, is een bijzonder prettige ervaring. Het prikkelde ook Hugo Claus, een begenadigd plastisch kunstenaar, trouwens. We zijn uiteindelijk met ons drieën aan de slag gegaan. Drie dagen lang hebben we ons hier opgesloten in de kapel’, mijmert Bervoets.
De Sint-Julianuskapel van de Zwarte Panter als setting voor een jamsessie met gouache en acryl op papier. ‘Dat ging allemaal heel ontspannen. Als de ene een trip had, dan liet je hem maar doen. Dan hoefde je nauwelijks iets anders aan te brengen dan je handtekening’, lacht Fred.
Opnieuw verzinkt de kunstenaar in gedachten. Alweer dat tobben over de slang.
‘Schilderen duurt niet lang, maar beslissen of het een werk is, dat kan me wakker houden. Je moet streng zijn en op tijd stoppen, al kan je soms zodanig in een rush komen dat je voelt dat het iets hogers wordt. Iets speciaals. Dat noem ik dan pilootschilderijen.’
Een schilderij als begin van een nieuwe fase, zoals Sara en konijn –naar zijn jongste dochter– er één is.
‘Toch moet je elk werk in het licht van je oeuvre bekijken. Het kan dat wat ik nu maak veeleer past in het werk van twintig jaar geleden. Dat kan. Ik weet dat niet.’

ABSTRACT

‘Als je me zou vragen of ik op mijn 75ste misschien abstract zou gaan schilderen, wel, ik denk het niet. Dertig jaar geleden vroegen ze me dat ook al en toen dacht ik ook al van niet.’
‘Maar je bent niet zeker’, pols ik.
‘Dat is het! Ik denk het, maar zeker weet ik het nooit. Ik denk dat ik steeds beeldender ga werken.’ Bervoets steekt opnieuw een sigaret op. De stilte fikt.
‘Ben je gelukkig?’ probeer ik.
‘Vandaag wat minder. Met die roze slang. Natuurlijk zou het allemaal beter kunnen. Maar hoe dan? Ach, ik mag niet klagen. Mocht alles naar wens zijn, dan was het snel uitgelezen. Als ik alleen ben, of in mijn bed lig, dan denk ik: ik ben een vrij mens! Al heeft vrijheid zijn prijs. Het kan soms zo eenzaam zijn. Mijn taak was om schilder te worden. Ik hoop dat ik nog een paar keer kan uithalen en mezelf nog eens kan bevreemden. En dan zal het wel genoeg zijn, denk ik.’

Maandagmiddag 13.40h. Fred Bervoets zit aan een tafel. Zijn gedachten niet, die zijn ergens in zijn atelier. Ik laat het gesprek even bezinken. Fred nipt aan zijn borrel. Ik moet denken aan zijn hobby: tijdens het weekend laat Bervoets immers zijn stad aan de toeristen en zwermt hij uit naar den buiten, om er te gaan boogschieten. (Staande Wip. Bervoets was al koning, nvdr).  Zen, noemt hij het. ‘Al heb ik last van staar en aangezien ik rechts schiet, durft het wel eens te flipperen daarboven.’ Schieten als een spel van raken en missen. Het is met de boog dat hij zijn gedachten ontspant en even wegsluipt van de twijfel. Om daarna trefzeker uit te halen, maar alweer besluiten dat hij nooit geschilderd heeft wat hij wilde schilderen. Levensslang in pinkroze…